Preek van de week

Preek zondag 20 oktober, 29e zondag door het jaar (C) Lc.18: 1-8

Zusters en Broeders in Christus,

Op een ochtend ging de telefoon. Aan de lijn een man die vroeg of ik tijd had en even met hem wilde praten. Hij zei: ‘Ik kan er heel veel bij uitleggen, maar mijn vraag is kort: Helpt bidden? Volgens de leer van de kerk wel, maar ik merk er niets van. ‘Een volmondig ‘ja of nee’ kon ik als antwoord niet geven. Ik gaf een antwoord tussen twee uitersten in. Ik reageerde  als volgt: ‘Bidden is zoals het leven zelf: voortdurend vragen, wensen, hopen, vertrouwen op God voor jezelf en anderen. Blijven vertrouwen dat de lente komt na de winter. Want als de vragen verminderen, het vertrouwen verflauwt, worden we zwakker en laten we het afweten, dan zijn we niet meer zeker dat een nieuwe lente volgt op lange koude winter. ‘Als ik bid, ging ik verder, spreek ik tot God’. De enige God waarin ik geloof, bestaat bij de gratie van mijn contacten en liefdevolle relaties met mensen. Waar twee of meer mensen elkaar willen verder helpen in dit leven, schenkt Hij ons kracht’.

In deze geest heb ik gereageerd. Maar hij ging niet in op mijn getuigenis. ‘Mijnheer’ zei hij- en aan de toon kon ik horen dat hij ongeduldig was; bidden moest voor hem helpen en wel nu en meteen- ‘Mijnheer’, ik heb in mijn leven zoveel ellende meegemaakt en het houdt maar niet op. Ik ben een goede katholiek, ik bid veel. Maar mijn gebed heeft me niet geholpen. Bidden helpt echt niet?
 
Helpt bidden? Vroeg ik me na dit gesprekje af. Kardinaal Danneels schreef eens: ‘Zeker, bidden helpt- zelfs gewoon al stil zijn en zich bezinnen- heeft een menselijke kracht: het geneest’. Hiermee wil hij zeggen: echt gebed maakt de mens en de samenleving gezonder en meer leefbaar. In het gebed gaat het eerst om het kijken naar God, om het luisteren naar God en niet naar onszelf; om te luisteren naar Hem en niet naar onze eigen verlangens en behoeften. Het gaat er om God eerst te loven en te danken en niet meteen voor onszelf te vragen. Het gaat erom God te dienen en niet om Hem begerig in onze dienst te stellen. Echt bidden verlegt het centrum van jezelf naar het centrum van God. God die liefde is en je alle liefde en geluk van de wereld gunt. Wie bidt, kijkt van zich weg en ziet een nieuwe toekomst.

De man aan de telefoon wilde antwoord krijgen op zijn vraag, op zijn tijd. Hij had de neiging, als ik het voorzichtig zeg, om God naar zijn hand te zetten. En dat lukt nooit. Wat wel lukt bij God is Hem eerlijk blijven vragen, blijven vragen. Bij God wint de aanhouder altijd. Maar  er is meer: het aanhoudende gebed vormt de mens om. Bidden is een omvormingsproces, waardoor de bidder leert om anders om te gaan met vreugde en verdriet. En omgaan met verdriet is zo moeilijk. De  twijfel slaat juist toe als we verdriet hebben.

Zo wordt het volk van God in de eerste lezing op een laffe manier in de rug aangevallen, daar waar ze het zwakste zijn. Bij ieder van ons gebeurt hetzelfde: op de momenten dat we het zwakste zijn, worden we aangevallen. Mozes laat Jozua de strijd aanbinden met zijn tegenstander Amalek. Mozes trekt zich met Aaron en Chur terug op de berg. Dat is de plaats van Godsontmoeting.  Daar steekt Mozes zijn armen omhoog in een vragend en smekend gebaar naar God om hulp. Zolang Mozes zijn handen in de hoogte kan houden is Israel aan de winnende hand. Zakt zijn zelfvertrouwen, zijn geloof in God en verflauwt zijn gebed, dan krijgt Amalek weer de overhand. Uiteindelijk kan Mozes het niet meer alleen. Bidden in je eentje kun je blijkbaar niet lang volhouden. Hij heeft hulp nodig. Eerst zorgen Aaron en Chur voor een steen waarop Mozes kan zitten en vervolgens ondersteunen ze de armen van Mozes. En daar boven op de berg, als bemiddelaar tussen hemel en aarde, opkomend voor de zwakken, houdt Mozes het vol met de steun van een minimale gemeenschap. Mozes’ handen blijven geloven, zijn krijgsvolk blijft erin geloven en Amalek wordt verslagen. En zo is het vandaag nog voor ons. Blijven bidden, erin blijven geloven met hoofd, hart en handen, geduld hebben omdat hulp niet komt op de tijd die wij willen, maar op de tijd van God. Blijven vertrouwen op God, soms tegen beter weten in, moeten we samen blijven doen.

De gelijkenis die Jezus zijn leerlingen voorhoudt, heeft eenzelfde doel: de aanhouder wint. De gelijkenis begint met de woorden: ‘Er was eens een weduwe…. Een weduwe had in Jezus’ tijd geen enkel recht. Ze stond er helemaal alleen voor. Ze kreeg van niemand steun en hulp. Ze werd zelf achtergesteld. Ze staat als weduwe in ons verhaal voor de zwakste groep in de samenleving van toen: de armen, de weduwen en wezen. Niemand kwam voor hen op. Niemand die hen hielp. Zelfs de rechter van de stad laat het afweten. En zoals Mozes in de eerste lezing blijft bidden om hulp, zo doet de weduwe in het evangelie hetzelfde. ze blijft de rechter vragen en smeken om hulp. Om van haar vragen en smeken af te komen, helpt de rechter haar uiteindelijk.

'Bidt zonder ophouden’, dat is de boodschap die Jezus zijn leerlingen met de gelijkenis duidelijk wil maken. Wie bidt zonder ophouden, zal uiteindelijk winnen. Maar hoe moeten we ons dat ‘bidden zonder ophouden voorstellen? Nico ter Linden geeft hierop als antwoord: ‘Als bidden iets is wat je altijd moet doen, zonder ophouden, dan is het dus in de eerste plaats iets wat je met gesloten ogen en gevouwen handen in de kerk doet, of op je knietjes voor je bed, dan is het evenzeer iets voor op de fiets en in de keuken of in een kroeg of als je langs de zee loopt. Dan is bidden zo breed als het leven zelf en dan kent het vele vormen en vele inhouden: dankzegging, jammerklacht, aanbidding, smeekbede, schietgebed, inkeer, biecht, gebed om wijsheid, overgave’. Ik stelde een  vraag aan de Zusters Clarissen: ‘Haalt al mijn bidden iets uit’? de zusters antwoorden: ‘Biddend zijn we in gesprek met God. Dat stemt ons tot vreugde omdat we voelen en ervaren dat God ons nooit in de steek laat. Zolang wij bidden is Hij bij ons aanwezig. Zijn vreugde leeft onder ons en wij dragen die vreugde op een bescheiden wijze uit. Ons aanhoudend gebed heeft wel degelijk invloed op de samenleving. Aanhoudend moet de roep om recht klinken. Want Gods hulp komt niet op de tijd dat wij het graag zouden willen, maar hulp komt er op Gods tijd. Amen.