Preek van de week

Preek weekend 2 - 3 december 2017

1e Zondag van de Advent  Marcus 13:33-37 (B)

Zusters en Broeders in Christus

Vorige week de laatste zondag van het kerkelijke jaar, Christus Koning werd in het evangelie van de bokken en de schapen, onze aandacht gericht op de laatste komst van Christus, als rechter over levenden en doden. Op de eerste zondag van het nieuwe kerkelijke jaar, gaat het weer over de komst van Heer.  Nu wordt gewaarschuwd voor zijn mogelijk onverwachte komst. We worden opgeroepen steeds waakzaam te zijn.  

Het gaat in de christelijke boodschap en in het christelijke leven, altijd om de komst van Heer. Die staat aan het begin en aan het einde.  Het christelijke tijdperk begint met Kerstmis, met de komst van Christus in deze wereld.   Waar de profeten naar hadden uitgezien en waar ze hartstochtelijk hadden gebeden, wordt vervuld door het Kind in de kribbe. De profeten zoals ook Jesaja wisten  dat de mens steeds weer van God afdwaalde. Dat wij mensen waren: “als onreinen, onze goede werken als kleding door stonden bevuild; als bladeren zijn we afgevallen en de wind van onze zonden heeft ons meegevoerd.” Het zijn deze woorden van Jesaja die we ieder jaar weer in onze Adventszang zingen: Het Rorate caeli.  Door dat gedrag van de mens had God zijn aangezicht  afgewend en de mens prijs gegeven aan zijn zonden. Vanuit die God verlatenheid, vanuit die, voor de mens hopeloze en uitzichtloze situatie roept de profeet: “Scheur toch de hemel open en daal; blijf niet eindeloos op ons vertoornd, Heer; zie op ons neer. Wij zijn uw volk.” En de hemel heeft zich geopend. God heeft zich over ons ontfermd. Hij is temidden van ons mens geworden.  Hij is het Lam geworden dat onze zonden wegdraagt voor het aanschijn van God. Het Oude Testament, de tijd van verwachting, van het bidden van de profeten om de komst van God, is overgegaan in het Nieuwe Testament waarin God gekomen is in zijn Zoon Jezus Christus. Vanuit die komst mogen wij leven.

Paulus zegt het in de tweede lezing: “Steeds weer zeg ik God dank voor de genade die u in Christus Jezus is gegeven.”  Hij heeft ons in de doop gereinigd van onze zonden; hij voedt ons met zijn Woord en met het brood des levens. We moeten met die gaven standhouden tot het einde. En dat einde is de wederkomst van Christus. Dan wordt de eerste komst, de komst met Kerstmis definitief. Dan is die tijd van genade voorbij. Nu kunnen we nog voor Hem kiezen, nu nog staan de genademiddelen ter beschikking. Het evangelie vergelijkt dat meerdere keren, met de situatie, waarin een heer voor een bepaalde tijd naar het buitenland vertrekt  en het beheer over zijn goederen aan zijn dienaars toevertrouwt.  En wij, christenen, zijn dan die dienaars, en zijn goederen zijn het woord van Jezus, de sacramenten en de talenten die je hebt gekregen.  Het evangelie legt de nadruk op het onverwachte van de komst. Dan is de tijd van de genade definitief voorbij. Dan is het de tijd van de afrekening en de eeuwige beloning of de eeuwige straf.  

Christenen mogen met vertrouwen naar die tweede komst uitzien. Daarom is de advent,  een tijd van vreugdevolle verwachting.  Maar het is tegelijk ook een tijd van mogelijke  bekering. Daarom neemt de Kerk ook de woorden van de oude profeten zoals Jesaja en Johannes de Doper in de mond om de christenen die  zijn afgedwaald, op te roepen zich te bekeren voor de definitieve komst.   Dan zal  de Heer hen bij zijn komst niet slapende  vinden. Psalm 25 zegt: allen die naar u uitzien Heer, worden niet teleurgesteld.  Toon mij Heer uw wegen en wijs mij uw paden aan.  Toon ons Heer, uw barmhartigheid en schenk ons uw heil. 

Amen.