Preek van de week

Preek weekend 25-26 januari, 3e zondag in het jaar (A), Mt. 4:12-23

Zusters en Broeders in Christus,

‘Het volk dat in het duister ronddwaalt, ziet een schitterend licht. Een helder licht schijnt over hen die wonen in het land van de doodse duisternis.’ Zo hoorden wij in de eerste lezing en het Evangelie. Jezus vestigt zich in Kafarnaüm, in het grensgebied van Zebulon en Naftali in Galilea, waar veel heidenen wonen. Maar met de komst van Jezus zal ook over hen het schitterend licht stralen dat hen uit de duisternis bevrijdt. ‘Het volk dat in de duisternis ronddoolt, ziet een groot licht.’ In de duisternis leven en ronddolen … ik vermoed dat we ons dat niet meer echt kunnen voorstellen, want de duisternis bestaat niet meer. Al meer dan honderd jaar heeft het licht die duisternis verdreven uit onze huizen, uit fabrieken en bedrijven, op straat, uit dorpen en steden. Leven, werken, ons verplaatsen, ons ontspannen zonder licht is ondenkbaar. En het licht is zo sterk verspreid dat we in Brabant wellicht geen enkel plekje meer vinden waar het licht niet aanwezig is. We zijn het zo gewoon dat velen onder ons zelfs niet meer kunnen slapen in volle donkerte. Er moet een klein lichtje branden, of het straatlicht moet een beetje binnenkomen. Want licht in de duisternis, dat hebben we nodig.

Mensen zoeken licht, en voor gelovigen is Christus Het Licht maar willen wij het opnemen als warmte en uitstralen, willen wij dus zelf licht worden? Dat licht dat in de doodse duisternis schijnt werkt pas, als wij bereid zijn heilig te worden en te zijn. Een heilige is geen vuurtoren op zich, net zo min als de aarde en de dampkring warm van zichzelf zijn. Een heilige is iemand in wie het licht van Christus wordt geabsorbeerd en uitstraalt.

Bijvoorbeeld: Toen Mozes met God had gesproken boven op de berg en hij naar beneden kwam, straalde zijn gezicht zoveel licht uit dat hij een doek over zijn hoofd moest leggen. Als mensen worden we warm omdat de aarde en de lucht om ons heen de warmte van de zon verder doorgeven. Zo kunnen mensen in deze donkere tijd spiritueel alleen warm worden, als de heiligen om hen heen de warmte en het Licht van Christus doorgeven aan elkaar. De oproep om heilig te worden - en zo de wereld te heiligen, schuiven we toch naar andere mensen af. We hebben de mond vol over de kwalen van de tijd en we weten het beste hoe anderen moeten veranderen. Let dan op het evangelie. Jezus heeft niet gezegd: "Bekeer de ander", of: "praat over de bekering van anderen", of: "praat er over hoe weinig anderen bekeerd zijn", maar: "bekeert u." Het is een persoonlijke oproep. Een roeping om terstond en in alles de Heer te volgen, zoals de eerste leerlingen aan de oever van het meer. Het is tot ons allemaal gezegd: "Volg Jezus, keer om van uw slechte wegen, word heilig." Het resultaat moeten we delen met anderen - "Hij zal ons vissers van mensen maken" - maar de bekering op zich is onze eigen zaak. U bent de enige die kan beslissen zélf het licht te ontvangen  en uit te stralen. Daar kan niemand anders  over  beslissen, of oordelen.

Misschien denken we er zelden of nooit aan, maar ook tegen ons zegt Jezus: ‘Kom en volg Mij. Ik zal vissers van mensen van u maken.’ Nu Hij niet meer zichtbaar aanwezig is, moeten wij het licht van Jezus uitstralen. En net als Hij moeten ook wij vissers van mensen zijn. Het zou dus goed zijn als we ons in alle eerlijkheid zouden afvragen of we dat wel zijn: vissers van mensen. Of zijn we misschien veeleer vissers van rijkdom en bezit, van alleen maar ons gezin, ons werk, onze zaak. Brengen we Jezus’ licht onder onze medemensen, of moeten ze maar verder leven in de doodse duisternis waarin ze door omstandigheden misschien terechtgekomen zijn?

Zusters en broeders, het evangelie volgens Johannes begint met heel merkwaardige woorden. ‘In het begin was het Woord. En het Woord was bij God, en God was het Woord.’ Zo luidt het, en een paar regels verder klinkt het: ‘En het Licht schijnt in de duisternis, maar de duisternis neemt het niet aan.’ Het zou goed zijn als deze woorden van Johannes niet op ons zouden slaan. Als we het Licht van God dus wel zouden aannemen. Als we Jezus, die het Licht is van God, in de duisternis van ons eigen leven en dat van onze medemensen zouden laten schijnen. Misschien met vallen en opstaan, maar zonder op te geven en altijd vol geloof en vertrouwen.

Vorige week zondag begon de gebedsweek voor de eenheid en vandaag sluiten we die af. Deze week was het ook 100 jaar gelden dat Chiara Lubich werd geboren. Zij heeft  inspiratie geput uit de woorden uit evangelie:” Mogen allen een zijn”. Tijdens de oorlog in Trente is zij begonnen om deze woorden te leven, eerst onder de armen van Trente, slachtoffers van de oorlog, daarna  werden andere mensen aangestoken. Wereldwijd heeft zij door deze  woorden mensen van verschillende christelijke kerken, en mensen met een andere religie samengebracht: Kinderen van een Vader, broers en zussen van elkaar.

Thema  van de gebedsweek dit jaar is: Zij waren buitengewoon vriendelijk voor ons. Het belicht de gastvrijheid. De zorg  voor eenheid in verscheidenheid gaat ons allen aan. Wat mensen verenig is sterker dan wat ons scheidt, daarop is de oecumenische beweging gericht. Daarover heeft Paus Franciscus in 2019 een brief geschreven, waarin hij ons allen vraagt ons meer te richten op het woord van God, de bijbel, het boek waarop alle christelijke kerken steunen. Het woord van God verenigt de gelovigen en maakt ons een volk. Het regelmatig lezen in de schrift, en het vieren van de aanwezigheid van Jezus onder ons, stelt ons in staat  te  erkennen dat wij bij elkaar horen. We moeten groeien in onze vertrouwdheid met de schrift en met de verrezen Heer, die ons nabij blijf in  Zijn Woord en zijn Brood. We kunnen God geen grotere eer bewijzen  dan door ons best te doen de ander te aanvaarden. En niets geeft God zoveel vreugde  als eenheid onder de mensen. Waar eenheid is wil Jezus aanwezig zijn. In het Evangelie van Mattheus zegt: “Gij zijt het licht der wereld. Een stad kan niet verborgen blijven als ze boven op een berg ligt. Men steekt toch ook niet een lamp aan om ze onder de korenmaat te zetten, maar men plaatst ze op de standaard, zodat ze licht geeft voor allen die in huis zijn. Zo moet ook uw licht stralen voor het oog van de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw vader verheerlijken die in de hemel is”. Amen