Preek bij het 35 jarig priesterjubileum van pastoor Frank As, maandag 25 mei 2026
For English translation scroll down
Broeders en zusters in Christus,
In 2018 heeft paus Franciscus de dag na Pinksteren ingesteld als de dag om de heilige Maagd Maria te gedenken als Moeder van de Kerk. De Kerk is op Pinksteren geboren door de Heilige Geest. Allen die aanwezig waren in de zaal van het Laatste Avondmaal werden vervuld van de Heilige Geest. Door de Heilige Geest kregen zij innerlijke en zekere kennis van God en werden zij één gemaakt in geloof in Jezus Christus. De Kerk is niet een politieke partij van mensen met eenzelfde ideaal of opvatting. De Kerk is Kerk door de Heilige Geest, de Kerk is dus de Kerk van God en daarom is de Kerk heilig. Zoals Maria overschaduwd werd door de Heilige Geest en Moeder van God geworden is, zo is ook de Kerk vervuld van de Heilige Geest en brengt zij Christus vandaag in de wereld voort.
De voornaamste persoon in die zaal van het Laatste avondmaal was daarom Maria, de Moeder van de Heer. Onder het kruis heeft Jezus haar heel duidelijk als moeder aan de apostel Johannes toegewezen, en omgekeerd de apostel Johannes aan haar als zoon gegeven. Zo is Maria is in de zaal van het Laatste Avondmaal aanwezig als Moeder van de apostelen, en daarmee als Moeder van de Kerk. Door ons Doopsel hebben ook wij diezelfde Heilige Geest ontvangen, zijn wij in Christus herboren, zijn wij van God uit opnieuw geboren en kinderen van God geworden. Maria, de Moeder van de Kerk, is dan ook onze moeder, door God ons gegeven. Zij is de nieuwe Eva.
In het paradijs had God aan de mens, Adam, de vrouw gegeven als een hulp die bij hem paste, want Adam die heel het paradijs bezat, was toch eenzaam. Nadat God voor Adam de vrouw geschapen had, riep Adam vol vreugde uit: Eindelijk been van mijn gebeente en vlees van mijn vlees. Heel het paradijs vertrouwde God aan Adam en Eva toe. Er gold slechts één verbod: Ze mochten niet eten van de boom van kennis van goed en kwaad. God bepaalt immers wat goed en kwaad is en niet de mens.
De mens leefde in vrijheid en liefdevolle omgang met God. Maar hij heeft het verbod van God overtreden. Toen werd God voor hem een bedreiging en werd hij bang voor God en verborg zich voor God. De liefdevolle stem van God werd een dreigende donderstem. Adam zei: “Ik hoorde uw donder in de tuin, en toen werd ik bang, omdat ik naakt ben; daarom heb ik mij verborgen.” Adam verborg zich omdat hij iets gedaan had wat niet mocht.
Door zijn zonde van ongehoorzaamheid heeft de mens de liefdevolle bescherming van God verloren. Die liefdevolle bescherming was als een warm kleed waarin hij zich veilig en geborgen voelde. Dat kleed heeft hij nu van zich afgeworpen. Daarom is hij naakt en bang. In een lied wordt dat mooi bezongen: Zo vriendelijk en veilig als het licht, zoals een mantel om mij heen geslagen. Zo is mijn God! De mens die die het kleed van God van zich afgeworpen heeft, heeft de liefdesband met God verbroken. Daarom is hij angstig en naakt.
Dat kleed komt veel terug in de heilige Schrift. De aartsvader Jacob had twaalf zonen. De jongste twee waren Jozef en Banjamin. Zij waren de zonen van Rachel, zijn meest geliefde vrouw Rachel. Jozef was de oudste. Jozef was de oogappel van Jacob en Jacob had voor hem een mooi kleed laten maken. Het mooie gewaad was het symbool van de bijzondere liefde van zijn vader voor hem.
We zien dat mooie kleed ook terug in het Evangelie in de parabel van de verloren zoon. Toen de doodgewaande zoon weer thuis kwam riep zijn vader uit: Trekt hem het mooiste kleed aan. Dat kleed symboliseert de grote en barmhartige liefde van de vader. Door dat kleed werd hij weer in de liefde van de vader opgenomen, werd hij met zijn vader verzoend. Zijn broer was niet echter zo verzoeningsgezind.
Toen wij gedoopt werden, werden wij bekleed met het witte doopkleed. Wij waren dood door de zonde en in ons doopsel zijn wij met de Zoon van God bekleed. Zo zijn wij aangenomen als zonen van God en zijn wij met God verzoend. Ons doopkleed is het mooie kleed dat wij van de Vader, van God ontvangen hebben. Het doopkleed is het uiterlijk teken dat wij kinderen van God geworden zijn, dat de Vader ons in de gemeenschap met Hem hersteld heeft, die Adam door zijn zonde verbroken had.
Op Pinksteren is door de Heilige Geest de Kerk geboren. En in zijn Kerk heeft God priesters aangesteld om in de priester persoonlijk aanwezig te zijn om ons met God te verzoenen. De apostel Paulus zegt in zijn tweede Korinthebrief: “God heeft ons door Christus met Zich verzoend en ons, de apostelen, de dienst van die verzoening toevertrouwd. Wij zijn dus gezanten van Christus, God roept u op door ons woord. Wij smeken u in Christus' naam: laat u met God verzoenen!” Na zijn verrijzenis blies de verrezen Heer, Jezus Christus, over zijn apostelen en zei: “Ontvangt de Heilige Geest, wier zonden Gij vergeeft hun zijn ze vergeven en wier zonden gij niet vergeeft hun zijn ze niet vergeven”.
God roept God mannen in zijn Kerk tot het priesterschap en vertrouwt aan de priesters de dienst van de verzoening toe, om ons te heiligen. De roeping tot priester is een uitverkiezing, is een roeping in liefde: Heb je Mij lief met die liefde waarmee ik jou liefheb? Op die roeping heb ik 35 jaar geleden van harte Ja! gezegd in de priesterwijding. Als teken van Gods innige liefde voor zijn priester, heeft Christus de priester bekleed met het mooie priesterlijke gewaad, het gewaad van Christus.
Broeders en zusters, vandaag precies vijfendertig jaar geleden, ben ik door de toenmalige bisschop Mgr. Ter Schure priester gewijd. Ik ben de goede God dankbaar dat Hij mij uitverkoren heeft en mij in Zijn dienst gesteld heeft. Hij heeft mij uitverkoren en mij, zondaar, veel liefde gegeven. Hoe kun je God danken voor zoveel liefde en goedheid. Het enige antwoord bij zoveel liefde kan alleen maar zijn: Ja, hier ben ik. Uw wil te doen, mijn God, dat is mijn vreugde. In al die vijfendertig jaren heb ik geen moment spijt gehad dat ik op de roepstem van de Heer Ja! gezegd heb om Hem in zijn Kerk te dienen, om de mensen te dienen en hen met God te verzoenen. Ik zou ook nu weer Ja! zeggen.
De heilige Maagd Maria, die wij vandaag als Moeder van de Kerk gedenken, heeft al vroeg in mijn leven en in mijn geloof een grote plaats. Na mijn theologie studie in Utrecht ging ik naar het Sint Janscentrum in ‘s-Hertogenbosch en ik zou snel voor de wijding opgaan. Toch duurde dat voor mijn gevoel lang. Ik werd er zenuwachtig van. Als ik de rector vroeg wanneer ik gewijd ging worden, leek het wel alsof dat averechts werkte. Op een middag liep ik binnen bij de spirituaal van het seminarie, pater Groenen. De spirituaal is er voor de geestelijke begeleiding van de seminaristen. Ik legde hem mijn angstige zorgen voor. Hij zei tegen mij: “Frank, priester worden is heel mooi. En als God wil dat jij priester wordt, dan word jij priester. Maar als God niet wil dat jij priester wordt, dan word jij geen priester. En - zo zei hij - dan moet jij dat ook goed vinden”.
Ik ging bij hem weg met nog meer ongerustheid. Stel dat God niet wil dat ik priester word? Zou ik al die jaren alles voor niets opgegeven hebben? Ik durfde niet meer tot Christus te bidden. Ik vreesde dat ik in het gebed zou horen: “Nee Frank, Ik heb jou niet voor het priesterschap uitverkoren.” En terwijl dat al mijn verlangen was. Wat moest ik nu doen?
Ik liep naar de Sint-Janskathedraal om de hoek en ging naar de Mariakapel, naar de Zoete Moeder van Den Bosch. Daar bad ik tot Maria. Ik bad haar dat zij aan haar Zoon wilde vragen dat Hij mij tot zijn priester wilde maken, want ik durfde het Hem zelf niet meer te vragen. Ik dacht als Maria, zijn moeder, Hem iets vraagt, dan kan Hij dat haar toch niet weigeren? ’s Avonds zitten we als seminaristen samen in de recreatie. De rector komt plotseling binnen. Hij lacht een beetje en zei waar iedereen bij zit: “We gaan jou aanstellen”. Dat betekent: Wij gaan jou voordragen aan de bisschop om gewijd te worden. Ik reageerde in mijn hart: “Maria heeft mijn gebed verhoord”. De seminaristen om mijn heen lachten en zeiden: Kijk hem eens verbaasd kijken! Ikzelf was niet verbaasd, ik wist het: Maria heeft mijn gebed verhoord.
Daarom ben ik Maria altijd dankbaar dat zij mijn voorspreekster geweest is bij haar goddelijke Zoon. Op haar voorspraak ben ik priester geworden. Het is voor mij ook bijzonder, en ik heb het gevoel dat het zo ook heeft moeten zijn, dat ik hier in Veldhoven nu uw pastoor mag zijn, in deze plaats waar Maria bijzonder vereerd wordt, als Onze Live Vrouw ter Eijk. Vandaag vieren wij Maria, als Moeder van de Kerk, maar als Moeder of Koningin van de Apostelen, als Moeder van de priesters, als moeder van alle gelovigen, zoals Jezus tot Johannes zegt: Zie daar uw moeder.
Ik wil vandaag ook alle mensen bedanken die mij geholpen hebben en helpen om priester te zijn van Jezus Christus, van zijn Kerk.
Op de eerste plaats mijn ouders. Zij hebben mij en ons, broers, zussen en kleinkinderen, het geloof doorgegeven en voorgeleefd. Laat dat geloof niet verloren gaan! Het is zo’n grote rijke genade.
Ik wil vandaag ook alle vrijwilligers in de parochie bijzonder danken. U, als vrijwilliger, en iedere vrijwilliger op zijn manier, zorgen ervoor dat ik hier pastoor kan zijn en bouwen we samen de Kerk van Christus op.
Ik dank alle vrienden en bekenden. In de ontmoeting met mensen wordt mijn geloof gevoed.
Ik weet dat ik veel tekortkomingen heb, en ook ik moet ook steeds opnieuw met de Heer verzoend worden. De Heer heeft mij vergeven in het sacrament van Boete en verzoening. Als ik u op een of andere wijze tekort gedaan heb, vraag ik u om vergeving en ik wil ook u vergeven.
In het Onzevader bidden wij: ‘Vergeef ons onze schulden zoals ook wij vergeven aan onze schuldenaren’. Want als wij niet vergeven, hoe kan de Heer ons dan vergeven? Maar ook omgekeerd: Wie van ons wil niet vergeven worden? Blijf niet met wrok rondlopen, dat maakt alleen je eigen hart zuur. Laten wij elkaar dragen in het geloof opdat wij de vreugde van het geloof en de liefde van God in ons hart mogen vieren en ervaren.
Vijfendertig jaar geleden heb ik Ja! gezegd en ben ik priester gewijd. Wij leven door de Geest die wij in ons doopsel hebben ontvangen, laten wij ook leven volgens die Heilige Geest. De Geest die liefde is, vrede, vreugde en leven.
Ik wil eindigen de aloude mooie en vertrouwde woorden: De vrede des Heren zij altijd met u! En, Maria Koningin van de Vrede: bid voor ons. Amen.
Brothers and sisters in Christ,
In 2018 Pope Francis established the day after Pentecost as the day to commemorate the Blessed Virgin Mary as Mother of the Church. The Church was born on Pentecost by the Holy Spirit. All who were present in the room of the Last Supper were filled with the Holy Spirit. Through the Holy Spirit they received an inner and certain knowledge of God and were made one in faith in Jesus Christ. The Church is not a political party of people with the same ideal or opinion. The Church is Church by the Holy Spirit, so the Church is the Church of God, and therefore the Church is holy. Just as Mary was overshadowed by the Holy Spirit and became the Mother of God, so the Church is filled with the Holy Spirit and brings forth Christ in the world today.
The most important person in that room of the Last Supper was therefore Mary, the Mother of the Lord. Under the cross, Jesus very clearly assigned her as a mother to the apostle John, and conversely, gave the apostle John to her as a son. Thus, Mary is present in the room of the Last Supper as the Mother of the Apostles, and thus as the Mother of the Church. Through our Baptism we too have received the same Holy Spirit, we have been reborn in Christ, we have been reborn from God and we have become children of God. Mary, the Mother of the Church, is therefore our mother, given to us by God. She is the new Eve.
In paradise, God had given the woman to man, Adam, as a helper that suited him, because Adam, who possessed all of paradise, was lonely anyway. After God had created the woman for Adam, Adam joyfully cried out, "At last bone of my bones and flesh of my flesh." God entrusted all of paradise to Adam and Eve. There was only one prohibition: They were not allowed to eat from the tree of knowledge of good and evil. After all, God determines what is good and evil and not man.
Man lived in freedom and loving fellowship with God. But he has violated the prohibition of God. Then God became a threat to him and he became afraid of God and hid himself from God. The loving voice of God became a threatening thunderous voice. Adam said, "I heard your thunder in the garden, and then I was afraid, because I am naked; therefore I hid myself." Adam hid because he had done something that was not allowed.
Because of his sin of disobedience, man has lost the loving protection of God. That loving protection was like a warm robe in which he felt safe and secure. He has now thrown off that garment. That's why he's naked and scared. This is beautifully sung in a song: As friendly and safe as the light, like a cloak wrapped around me. Such is my God! The man who has thrown off the garment of God has broken the bond of love with God. That's why he's anxious and naked.
That robe is often found in Holy Scripture. The patriarch Jacob had twelve sons. The youngest two were Joseph and Banjamin. They were the sons of Rachel, his most beloved wife. Joseph was the eldest. Joseph was the apple of Jacob's eye and Jacob had a beautiful robe made for him. The beautiful robe was the symbol of his father's special love for him.
We also see that beautiful garment in the Gospel in the parable of the prodigal son. When the son came home, who was presumed dead, his father cried out, "Put on him the most beautiful robe." That garment symbolizes the great and merciful love of the father. Through that garment he was taken back into the love of the father, he was reconciled with his father. His brother, however, was not so conciliatory.
When we were baptized, we were clothed with the white baptismal robe. We were dead through sin, and in our baptism we are clothed with the Son of God. Thus we have been adopted as sons of God and have been reconciled to God. Our baptismal garment is the beautiful garment that we have received from the Father, from God. The baptismal garment is the outward sign that we have become children of God, that the Father has restored us to the fellowship with Him whom Adam had broken through his sin.
On Pentecost, the Church was born by the Holy Spirit. And in his Church, God has appointed priests to be personally present in the priest to reconcile us to God. The apostle Paul says in his second letter to Corinthians: "God has reconciled us to himself through Christ and has entrusted to us, the apostles, the ministry of that reconciliation. So we are ambassadors of Christ, God calls you by our word. We beseech you in Christ's name: be reconciled to God!" After his resurrection, the risen Lord, Jesus Christ, breathed on his apostles and said: "Receive the Holy Spirit, whose sins you forgive them, they are forgiven, and whose sins you do not forgive them, they are not forgiven".
God calls men in his Church to the priesthood and entrusts to the priests the ministry of reconciliation to sanctify us. The vocation to be a priest is an election, is a vocation in love: Do you love me with the love with which I love you? I said a wholehearted Yes! to that calling 35 years ago during my ordination. As a sign of God's deep love for his priest, Christ clothed the priest with the beautiful priestly robe, the robe of Christ.
Brothers and sisters, exactly thirty-five years ago today, I was ordained a priest by the then bishop Mgr. Ter Schure. I am grateful to the good Lord that He has chosen me and put me at His service. He has chosen me and given me, a sinner, much love. How can I thank God for so much love and goodness. The only answer to so much love can only be: Yes, here I am. To do your will, my God, that is my joy. In all those thirty-five years I have not regretted for a moment that I have responded to the call of the Lord Yes! to serve Him in His Church, to serve men and to reconcile them to God. I would say Yes! again right now.
The Blessed Virgin Mary, whom we commemorate today as the Mother of the Church, has a great place in my life and in my faith from an early age. After my theology studies in Utrecht, I went to the Sint Janscentrum in 's-Hertogenbosch and I would soon go for ordination. Still, I felt like it took a long time. It made me nervous. When I asked the rector when I was going to be ordained, it seemed as if it was counterproductive. One afternoon I walked into the spiritual of the seminary, Father Groenen. The spiritual is there for the spiritual guidance of the seminarians. I explained my anxious concerns to him. He said to me: "Frank, becoming a priest is very beautiful. And if God wants you to become a priest, then you will become a priest. But if God doesn't want you to become a priest, then you won't become a priest. And - so he said - then you must be okay with that too".
I left him with even more anxiety. What if God doesn't want me to become a priest? Would I have given up everything for nothing all those years? I didn't dare to pray to Christ anymore. I feared that I would hear in the prayer: "No, Frank, I did not choose you for the priesthood." And while that was all my desire. What was I supposed to do now?
I walked to St. John's Cathedral around the corner and went to the Lady Chapel, to the Sweet Mother of Den Bosch. There I prayed to Mary. I prayed that she would ask her Son to make me his priest, because I no longer dared to ask him myself. I thought if Mary, his mother, asks Him something, He can't refuse her, can He? In the evening, we sit together in recreation as seminarians. The rector suddenly enters. He laughed a little and said in front of everyone: "We're going to appoint you". That means: We are going to nominate you to the bishop to be ordained. I responded in my heart: "Mary has answered my prayer". The seminarians around me laughed and said: Look at him in surprise! I myself was not surprised, I knew: Mary has answered my prayer.
That is why I am always grateful to Mary for having been my advocate before her divine Son. Through her intercession I became a priest. It is also special to me, and I have the feeling that it was meant to be, that I can now be your pastor here in Veldhoven, in this place where Mary is particularly venerated, as Our Lady in the Oak. Today we celebrate Mary, as Mother of the Church, as Mother or Queen of the Apostles, as Mother of priests, as Mother of all believers, as Jesus says to John: Behold your Mother.
Today I also want to thank all the people who have helped me and are helping me to be a priest of Jesus Christ, of his Church.
In the first place my parents. They have passed on and lived the faith to me and us, brothers, sisters and grandchildren. Don't let that faith go to waste! It is such a great rich grace.
Today I would also like to thank all the volunteers in the parish in particular. You, as a volunteer, and every volunteer in his or her own way, make sure that I can be a pastor here and together we build the Church of Christ.
I thank all friends and acquaintances. In the encounter with people, my faith is nourished.
I know that I have many shortcomings, and I too need to be reconciled to the Lord again and again. The Lord has forgiven me in the sacrament of Penance and Reconciliation. If I have wronged you in any way, I ask you for forgiveness and I want to forgive you too.
In the Lord's Prayer we pray: 'Forgive us our debts as we forgive our debtors'. For if we do not forgive, how can the Lord forgive us? But also the other way around: Who among us does not want to be forgiven? Don't keep walking around with resentment, that will only make your own heart sour. Let us carry one another in faith so that we may celebrate and experience the joy of faith and the love of God in our hearts.
Thirty-five years ago, I said Yes! and I have been ordained a priest. We live by the Spirit that we have received in our baptism, let us also live according to that Holy Spirit. The Spirit who is love, peace, joy and life.
I want to end with the old beautiful and familiar words: The peace of the Lord be with you always! And, Mary Queen of Peace: pray for us. Amen.